Ik zat laatst in onze volkstuin. Het was warm, benauwd bijna. Een vervelend insect vloog rond mijn hoofd, later een mug die zoemde bij mijn oor, en in de verte zag ik de brandnetels alweer over het pad groeien. Tegelijk dacht ik aan de bijen — die zie ik nauwelijks meer. Vlinders? Zeldzaam. De musjes bij de bomen vlak bij de kas zijn tot nu toe stil gebleven dit jaar.
En toen vroeg ik me iets af.
Waarom lijken uitgerekend de planten en dieren die wij mensen lastig, prikkelig of irritant vinden juist te gedijen in dit opwarmende klimaat? Terwijl de soorten waar we van houden — vlinders, bijen, bloemetjes, zangvogels, walvissen zelfs — juist achteruitgaan?
Houdt de natuur rekening met onze voorkeuren? Of lijkt dat maar zo?
De natuur heeft geen voorkeuren – maar wel regels
De eerste en meest eerlijke conclusie: de natuur is volstrekt onverschillig voor onze voorkeuren. Of wij nou houden van bloemetjes en vlinders, of gruwen van distels, muggen en ratten — het doet er ecologisch niets toe.
Wat er wél toe doet, is dit:
🌍 Klimaatverandering en milieuschade geven vooral een voorsprong aan soorten die snel, flexibel en taai zijn.
Denk aan:
- Distels, bramen, brandnetels
- Ratten, muggen, wespen
- Meeuwen, duiven, kakkerlakken
Dit zijn generalisten: soorten die zich makkelijk aanpassen, zich razendsnel voortplanten en weinig eisen stellen. Ze leven graag in rommelige, verstoorde omgevingen — en laat dat nou net zijn waar de aarde steeds meer op begint te lijken.
Ondertussen verdwijnen de specialisten
De soorten waar wij vaak het meest van houden — bv vlinders, bijen, mezen, orchideeën, egels, walvissen — hebben juist specialistische eisen:
- Ze leven in bloemrijke weides, oude bossen of koele zeeën
- Ze eten specifieke dingen of zijn afhankelijk van andere soorten
- Ze zijn gevoelig voor verstoring, droogte, lichtvervuiling, pesticiden
Zodra het te warm, te droog of te chaotisch wordt, verdwijnen ze — soms langzaam, soms ineens.
Maar wordt het dan niet juist biodiverser als het warmer wordt?
Een logische vraag. Want het is waar: de tropen zijn het rijkst aan soorten. Warmere gebieden herbergen veel meer biodiversiteit dan koude streken. Dus zou een warmere wereld niet automatisch leiden tot méér soorten?
Helaas niet.
De reden is simpel: de tropen zijn al miljoenen jaren stabiel, vochtig, licht- en voedselrijk. Daardoor konden daar talloze soorten evolueren. Maar wat we nu meemaken is geen geleidelijke tropisering, maar een snelle, chaotische opwarming— met droogte, hittegolven, vervuiling en ontbossing tegelijk.
Biodiversiteit houdt van stabiliteit. Maar klimaatverandering is allesbehalve stabiel.
In plaats van verrijking zien we dus wereldwijd het omgekeerde: een afname van soorten, vooral onder de specialisten. Zelfs in tropische gebieden neemt de biodiversiteit af — door droogte, bosbranden, koraalbleking en landbouwdruk.
In Nederland trekken zuidelijke soorten soms wel op — zoals de hop of bepaalde libellen — maar dat vervangt slechts wat verdwijnt. Het komt er niet bovenop. Wat overblijft is vaak een kleinere, eenvormigere set soorten — vaak opportunistisch en taai, maar ecologisch armer.
Het voelt persoonlijk, maar is universeel
Dat het zo oneerlijk voelt — alsof de natuur ons op de proef stelt — heeft ook te maken met hoe wij als mensen waarnemen:
- We merken hinderlijke soorten meteen op (jeuk, herrie, overlast)
- We missen de mooie of nuttige soorten pas als ze wegblijven (stilte, leegte)
- We krijgen via de media vooral nieuws over bijensterfte of walvissen op stranden — logisch, want dat raakt ons gevoel
Maar het gevoel klopt met wat de wetenschap laat zien: het ecosysteem verarmt, en wat overblijft zijn vooral robuuste soorten die het verschil tussen zomer en winter of natuur en stad niet zo belangrijk vinden.
Wat kunnen we ermee?
Misschien moeten we opnieuw leren kijken. Niet alleen treuren om wat verdwijnt, maar ook beseffen waar het aan ligt. En vooral: ruimte maken voor soorten die het moeilijk hebben.
Dat kan op kleine schaal:
- Minder stenen, meer bloemen
- Geen gif, wel rommelhoekjes voor insecten
- Meer variatie en rust in de tuin, berm of buurt
En op grotere schaal:
- Klimaatbeleid of adaptatie welke echt bijstuurt
- Minder stikstof, minder versnippering
- Meer tijd, ruimte en geduld voor herstel
Want nee, de natuur houdt geen rekening met wat wij mooi vinden. Maar wij kunnen wel kiezen in wat voor soort natuur we willen leven — en of dat er één wordt die zingt, bloeit en zoemt. Of vooral prikt, bijt en piept. Misschien van alle twee wat …