“All I want to do ever, is play chess …”

Aldus een quote van Bobby Fischer, wereldkampioen schaken 1972-1975. Dat is het wel zo’n beetje zoals het met mij begon. Ik weet niet alle details meer, maar ik was 18 jaar (1979) toen ik het het boek ” Profile of a Prodigy: The Life and Games of Bobby Fischer” in handen kreeg. Het was een prachtig en spannend verhaal over de jonge Amerikaan die het in de schaakwereld opnam tegen een overmacht van Russische grootmeesters en ze, uiteindelijk, allemaal versloeg.

Ik had nog nooit echt geschaakt, maar kende de regels wel een beetje. In het boek stonden ook partijen in een verouderde notatievorm, de Angelsaksische of Engelse beschrijvende notatie. Deze werd o.a. vooral in oudere Engelstalige schaakboeken gebruikt. Ik kon al redelijk snel de partijen naspelen en het commentaar bij de partijen hielp me om te begrijpen waarom bepaalde zetten werden gespeeld. Het greep en fascineerde me enorm.

In de zetten en stellingen die uit een schaakpartij van Fischer ontstonden, zat voor mij ook iets kunstzinnigs. De zetten waren logisch en goed te begrijpen, maar het was ook net als een mooi muziekstuk. Er was een zekere harmonie. Het koste me dan ook niet veel moeite om de partijen uit mijn hoofd na te spelen. Dan heb je het over gemiddeld zo’n 40 zetten van wit en zwart en dat voor honderden partijen. Ik heb het vrij onlangs, 46 jaar later opnieuw geprobeerd, maar dat ging me heel veel slechter af.

Volgende stappen (of eigenlijk zetten)

Ik begon meer schaakboeken aan te schaffen. (o.a “My 60 memorable games” van Fischer). Vlak bij station Den Haag centraal zat een schaakboeken winkel waar ik veel naar toe ging.

Ik schafte schaakboeken aan op het gebied van biografieën van grootmeesters, internationale toernooien, strategie in opening, midden en eindspel. Ook was er een maandelijkse uitgave van de “Schach Informator” volgepropt met partijen die over de wereld werden gespeeld. Ook kwam ik in bezit van een mooi officieel wedstrijdbord met fraai gesneden houten schaakstukken.

Ik had op foto’s gezien dat er bij toernooien grote houten informatie borden stonden op een soort van schildersezel om het publiek te voorzien van uitleg en informatie. Ik besloot dat ik dat ook wilde hebben en maakte het bord zelf, waarbij ik de schaakvelden met twee soorten gekleurde kurk ingelegd had. De standaard werd voor mij gemaakt door de vader van mijn zwager, die timmerman was.

De platte schaakstukken werden gemaakt van zwart en wit karton, zorgvuldig uitgesneden met een stanleymes. Zo kon ik op mijn zolderkamer in het groot partijen naspelen -of- ter studie bepaalde stellingen analyseren.

Op een geven moment moet je natuurlijk iets met al die opgedane kennis. In Delft, waar ik toen nog bij mijn ouders woonde, had je de DCSV (Delftse Christelijke Schaak Vereniging). Ik was eigenlijk bang om daar heen te gaan omdat ik dacht dat ik zou afgaan er er helemaal niks van kon. Op een gegeven avond had ik de moed verzameld om er heen te gaan en speelde met eerste partijen tegen echte mensen. Ik speelde mijn eerste partij tegen R. ter Veen die, als ik het me nog herriner, daar clubkampioen was geweest. Ik verloor de partij maar deed het eigenlijk best goed volgens mijn tegenstander. Ik was toen best blij en trots. Ik had iets gevonden waar ik blijkbaar goed in was en wat ik leuk vond.

Ik werd lid van DCSV en ging mee doen aan de interne clubcompetitie en wedstrijden tegen andere clubs in de regio. Na ongeveer een jaar zat ik in het eerste team van DCSV en deed ook goed mee aan de interne competitie die er elke vrijdagavond was. Ik had toen een rating (maat voor je speelsterkte) van 1917 punten. Best redelijk goed voor een clubschaker. Ter vergelijking, kampioen Magnus Carlsen heeft volgens mij nu een rating van ongeveer 2800 punten.

De jaren daarna

Ik besteede veel tijd en geld aan schaken, was zeer fanatiek en was eigenlijk wel een beetje verslaafd waardoor mijn studie op VWO en HBO er onder leed. Maar goed, ik had er lol in. Op het HBO was er een studiegenoot (R. van Velzen) die ook erg graag schaakte. Hij was een kei in wiskunde (ik niet). We hadden het onzalige plan gemaakt om in de wiskundeles te gaan schaken. Hij zat in de klas voor mij bij de vensterbak. In de vensterbank stond een klein schaakbord waar we onze partijen speelden. Af en toe kwam de wiskundeleraar even kijken hoe de stelling er bij stond. Mijn wiskunde cijfers werden er niet heel veel beter van.

In 1983 ging ik weken bij TU Delft en ook daar werd geschaakt, dat deden we met een groepje in de lunchpauze. Ook dat liep al snel uit de hand. Lunchpauzes werden langer en langer. Ik herinner me nog dat de prof. van de vakgroep Biochemie heel boos naar ons toe kwam om te laten blijken dat hij hier niet zo blij mee was.

In 1984 begon ik met mijn baan bij Gist-Brocades in Delft (later DSM). Grote verassing, ook hier waren schaakliefhebbers. Ook mijn oude studie genoot, aan wie ik al eerder refereerde, werkte hier ook. Via het werk werd het zg industrieschaak toernooi georganiseerd, een wedstrijd tussen bedrijven uit de regio (Naast Gist-Brocades o.a. TU Delft, TNO, Optische ). Ik zat samen met R. van Velzen in het eerste Gist-brocades team. In een bepaald jaar, ik herinner me niet meer precies wanneer, had het team van TU Delft een hele sterke Russische speler (~student) opgesteld. Ik zat in het eerste team aan het eerste bord en moest toen dus tegen hem spelen. Ik nam weinig risico en speelde een solide partij. Op een gegeven moment maakte de Rus een fout, die ik meteen kon afstraffen. Ik stond glad gewonnen en keek hem indringend aan. Hij keek weg, maar gaf niet meteen op. Er stonden inmiddels veel mensen te kijken. Na een paar zetten gaf hij op en wonnen we als Gist-Brocades ook het toernooi.

De laatste jaren

Er zijn nog een aantal wat meer losse herinneringen, die ik op een later tijdstip nog wat meer ga uitwerken. Wat we nog bijstaat:

  • een simultaan seance tegen Jan Timman (Nederlands kampioen schaken en zat in de race om de wereldtitel) waarbij ik op de markt in Delft remise tegen hem speelde.
  • ik werd lid van de schaakvereniging de Scheve Toren in Pijnacker.
  • mijn avonturen met J. Duijvenstein waarmee we, in zijn kanariegele Deux Chevaux, door Nederland crossten en de schaak evenementen afliepen.
  • Mijn eerste ervaringen met schaakcomputers, waarover ik behoorlijk teleurgesteld was, gezien de zeer zwakke speelsterkte.
  • Mijn schaakpartijen met mijn oom Ton uit Canada, waarbij de jonge jenever belangrijker was dan het schaken.

Hierover allemaal later meer. Hoe meer ik schrijf en denk, hoe meer zaken boven komen drijven. Het waren leuke jaren, waarvan ik nu besef dat ze belangrijk voor me waren. Ik had er lol in en ik kon redelijk goed meekomen. Nu in 2025 heb ik het schaken weer opgepakt en ben gaan spelen tegen een aantal mensen in de buurt. Ik kan het nog steeds redelijk goed, maar heb inmiddels wel wat scherpte ingeboet …