Waarom blijven we vasthouden aan een energietransitie die onvoldoende resultaat laat zien?

De afgelopen jaren ben ik me steeds intensiever gaan verdiepen in energie, klimaat en de energietransitie. Niet omdat ik vóór of tégen ben, maar omdat ik wil begrijpen wat werkt en wat niet. Als ik ergens nieuwsgierig naar ben, probeer ik de feiten te volgen, ook als die ongemakkelijk zijn.

Hoe meer internationale statistieken ik bekijk, hoe vaker ik mezelf dezelfde vraag stel: Waarom blijven we vasthouden aan een aanpak die wereldwijd zo weinig zichtbaar resultaat lijkt op te leveren?

Dat is geen pleidooi tegen een duurzame toekomst. Integendeel. Ik denk dat vrijwel iedereen hetzelfde einddoel nastreeft: een schone leefomgeving, betrouwbare en betaalbare energie, een gezonde natuur en een leefbaar klimaat voor onze kinderen en kleinkinderen.

Het verschil zit niet in het doel. Het verschil zit in de gekozen route.

Kritiek is geen ontkenning

In het publieke debat lijkt die nuance steeds vaker verloren te gaan. Wie vraagtekens zet bij de huidige energietransitie wordt al snel weggezet als klimaatontkenner of tegenstander van duurzaamheid.

Dat vind ik een gevaarlijke ontwikkeling.

Kritiek op een aanpak is immers iets heel anders dan kritiek op het uiteindelijke doel. Juist als een onderwerp zo belangrijk is, moeten we ruimte houden om de gekozen strategie kritisch te evalueren. Wetenschap draait tenslotte niet om gelijk krijgen, maar om voortdurend toetsen of aannames overeenkomen met de werkelijkheid.

De praktijk is de beste leermeester

Tijdens mijn opleiding in de biochemie heb ik geleerd dat een experiment uiteindelijk maar één echte toets kent: werkt het?

Goede bedoelingen zijn belangrijk, maar niet voldoende. Als een experiment niet het verwachte resultaat oplevert, onderzoek je waarom en pas je de aanpak aan. Daarom blijf ik met belangstelling kijken naar de mondiale cijfers.

Sinds het Kyoto-protocol in 1997 en later het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 zijn het wereldwijde gebruik van fossiele brandstoffen én de mondiale CO₂-uitstoot vrijwel onafgebroken blijven stijgen. Europa heeft weliswaar zijn uitstoot verminderd, maar op wereldschaal is dat effect relatief beperkt.

We kijken vaak alleen naar Europa

Daar komt nog iets bij. Een deel van de Europese CO₂-reductie is bereikt doordat energie-intensieve industrie naar andere werelddelen is verhuisd. Ook worden de grondstoffen voor zonnepanelen, batterijen, windmolens en elektriciteitsnetten grotendeels buiten Europa gewonnen en verwerkt. Dat kost veel energie en veroorzaakt eveneens CO₂-uitstoot en milieubelasting.

Wanneer we alleen naar de Europese cijfers kijken, bestaat het risico dat we onszelf rijk rekenen. Het mondiale plaatje is uiteindelijk veel belangrijker dan het Europese.

Twee opvallende uitzonderingen

Wanneer ik de historische grafieken bekijk, vallen twee jaren direct op. In 2009 daalde de wereldwijde uitstoot tijdens de kredietcrisis. In 2020 gebeurde hetzelfde tijdens de coronapandemie.

Wat hadden die twee gebeurtenissen gemeen?

De wereld gebruikte simpelweg minder energie.

Dat vind ik misschien wel de belangrijkste les uit de afgelopen decennia. Niet omdat economische crises wenselijk zouden zijn, maar omdat ze laten zien hoe sterk energieverbruik en CO₂-uitstoot met elkaar verbonden zijn.

Minder gebruiken in plaats van alleen vervangen

Misschien richten we ons te veel op het vervangen van fossiele energie door windmolens, zonnepanelen en biomassa, en te weinig op het verminderen van onze totale energievraag. Iedere kilowattuur die niet wordt verbruikt, hoeft immers ook niet te worden opgewekt. Energiebesparing levert direct resultaat op, ongeacht de energiebron.

Dat vraagt niet alleen om technische innovaties, maar ook om slimmer ontwerpen, efficiëntere industrie, betere isolatie, zuinigere apparaten en misschien zelfs een andere manier van consumeren.

Durven bijsturen

Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart, is dat het debat steeds minder ruimte biedt voor fundamentele vragen. Alsof kritiek op de huidige aanpak automatisch betekent dat je het klimaatprobleem ontkent.

Volgens mij is juist het tegenovergestelde waar.

Als de praktijk onvoldoende bevestigt dat een gekozen strategie werkt, moeten we bereid zijn die strategie opnieuw te bekijken. Dat is geen zwakte. Dat is precies hoe wetenschap en techniek zich ontwikkelen.

Gezond verstand boven ideologie

Ik beweer niet dat ik alle antwoorden heb. Ik weet ook niet hoe de ideale energietransitie eruitziet. Maar ik denk wel dat we eerlijk moeten durven kijken naar de resultaten van de afgelopen dertig jaar.

Misschien ligt de grootste winst niet in steeds méér zonnepanelen, windmolens en batterijen, maar in het slimmer omgaan met energie. Minder verspillen, efficiënter produceren en zuiniger consumeren.

Dat klinkt misschien minder spectaculair dan weer een nieuw windpark, maar de historische cijfers suggereren dat daar juist een belangrijk deel van de oplossing kan liggen.

Tot slot

Een energietransitie is geen geloof, maar een voortdurend leerproces. Goede bedoelingen zijn belangrijk, maar uiteindelijk telt slechts één vraag:

Brengt de gekozen aanpak ons daadwerkelijk dichter bij het doel?

Die vraag zouden politici, wetenschappers, bedrijven én burgers zichzelf regelmatig moeten blijven stellen. Want alleen als we bereid zijn van de praktijk te leren, vergroten we de kans dat we uiteindelijk uitkomen waar we allemaal naartoe willen: een duurzame, schone en leefbare wereld.

Laat een bericht achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *